Het is zover, je eerste meetmoment na de start! Je hebt jezelf elke dag gewogen en daar hopelijk al wat veranderingen in gezien.

Dit meetmoment ga je een nieuw setje foto’s maken en weer je omtrekmetingen doen. Hieronder herhalen we even hoe alles ook alweer moet.

Wanneer kun je jezelf het beste meten en wegen?

Voor zowel de foto’s, het wegen, als de metingen geldt: Kies een vast moment in de ochtend, direct na het opstaan, na toiletbezoek en voor je ontbijt. Zo kun je het meest consequent meten.

Weeg jezelf elke dag.

Hoe maak je goede foto’s van jezelf?

Kies het liefst een natuurlijke lichtbron, zoals een raam. Probeer echter direct zonlicht te vermijden. Het beste is ook om licht vanaf een zijkant te gebruiken in plaats van van boven.

Zet de camera ongeveer op een hoogte die halverwege je lichaam is, om vertekening te voorkomen. Dit gebeurt bij foto’s van onderaf of bovenaf genomen. Als iemand anders de foto’s maakt, bijv. met een telefoon, vraag diegene dan om te knielen om van de juiste hoogte te kunnen fotograferen.

Plaats de camera tussen de lichtbron en jezelf in, zoals in onderstaande foto:

Neem foto’s van je voorkant, achterkant en zijkant. Houd in die laatste positie je armen voor je uit gestrekt, zodat de zijkant van je romp goed te zien is.

Het meten van je lichaamsomtrek

In metingen tabblad van je cliëntsheet houd je al je metingen bij. Voor het meten van je omtrek heb je een meetlint nodig. Meet jezelf op de volgende punten:

Buik

Het makkelijkst is het om dit in je taille te meten. Is je taille niet zo duidelijk, neem dan telkens eenzelfde afstand vanaf de bovenkant van je heupbot, of gebruik een andere markering zoals een moedervlek. Adem uit en meet. 

Blijf consequent in hoe je meet: Doe het elke keer op dezelfde manier.

Borst

Meet hier gewoon op tepelhoogte om te zorgen dat je steeds op dezelfde plek kunt meten. Ook hier weer eerst uitademen, dan meten.

Bovenbeen

Meet hiervoor het breedste stuk bovenin. Kies één been en meet elke keer hetzelfde been.

Evaluatie

Hoe is het dit afgelopen blok gegaan? Voel je je al een beetje anders? Zit je kleding al wat losser, of heb je wat meer energie? Zie je je resultaten ook in je cijfers terug? Is je gemiddelde weekgewicht al afgenomen? Hoeveel? Zie je verschil op je foto’s als je ze naast de eerste serie legt van 4 weken geleden?

Opdracht: Pak je SMART doel van week 1 erbij en evalueer je ontwikkeling. Ben je op de goede weg? 

Wat is er allemaal goed gegaan en waar ben je trots op?

Wat heb je heel goed gedaan? Zijn er dingen, klein of groot, waar je tevreden over bent, of zelfs heel trots op bent? Heb je bijvoorbeeld het merendeel van de tijd je voeding goed bijgehouden? Heb je nieuwe maaltijden of recepten leren maken? Heb je nieuwe voedingsmiddelen ontdekt die bij je doelen passen en die je ook lekker vindt? Heb je iets meer vrede gekregen met de dagelijkse gewichtsschommelingen? Lukt het voedingspuzzeltje elke week een stukje beter? Heb je je caloriedoel al een keer precies gehaald? Heb je je eiwitdoel al een keer precies gehaald? Heb je goede nieuwe gewoontes? Lees je nu meer verpakkingen en snap je beter waar je op moet letten? Is het makkelijker om producten te kiezen die bij je doelen passen? Heb je een voedingsmiddel in je kast ontdekt die veel meer calorieën bevatte dan je dacht en heb je die vervangen?

Opdracht: Schrijf een lijstje met dingen die goed zijn gegaan.

Wat had er beter kunnen gaan?

Zoals we in het begin al zeiden, het gaat niet perfect, dat hoeft ook niet. Het is een leerproces waarin steeds meer op z’n plek zal vallen. 

Opdracht: Wat is het belangrijkste ding dat volgens jou beter had gekund? Heb je een valkuil ontdekt? Schrijf dit op.

Hoe ga je dit verbeteren?

Opdracht: Schrijf je doel hiervoor weer op in SMART formulering.
  • Specifiek
  • Meetbaar
  • Acceptabel
  • Realistisch
  • Tijdsgebonden

Je kunt je nieuwe SMART doel bij je eerste SMART doel hangen, op een plek waar je 'm vaak ziet.

{"email":"Email address invalid","url":"Website address invalid","required":"Required field missing"}
>